Voorgeschiedenis BMW
De fabriek Bayerische Motoren Werke GmbH, (later Bayerische
Motorenwerke AG, München en BMW Motorrad GmbH, Berlijn) ontstond als Bayerische
Flugzeugwerke in 1916 uit de Rapp- en de Gustav Otto-vliegtuigfabrieken. Er
werd een inbouw-boxermotor ontwikkeld (de M2B15 Bayernmotor) die onder andere
geleverd werd aan Victoria, SMW- en Karü. Deze Bayernmotor was ontwikkeld door
Martin Stolle, en geïnspireerd op de Britse Douglas die Stolle privé bezat. Het
was een dwarsgeplaatste tweecilinderboxermotor.
BMW bouwde in 1920 een 143cc-tweetakt, de Flink en van 1921 tot 1922 de Helios, waarin de Bayernmotor zat. Allemaal met matig succes. Een van de problemen met de Bayernmotor was de dwarse plaatsing in het frame, waardoor de achterste cilinder minder rijwindkoeling kreeg.
In 1923 besloot BMW zich meer op motorfietsen te richten,
omdat het Verdrag van Versailles de productie van vliegtuigen verbood. In dat
jaar draaide Max Friz de Bayernmotor 90° in het frame en de eerste
BMW-motorfiets die het eigen merk mocht voeren was een feit. Dit was de R 32.
De motor had globaal dezelfde opbouw zoals die tot op de dag van vandaag door
BMW wordt gebruikt: een langsgeplaatste, luchtgekoelde tweecilinderboxermotor
met een aandrijfas naar het achterwiel.
Toen Franz Bieber al in 1924 Duits kampioen werd met een
standaard R 32, besloot BMW de sportieve successen vast te houden door ook
kopklepmotoren te ontwikkelen. In de jaren twintig, toen Duitsland nog gebukt
ging onder de herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog, bloeide BMW. Er
werden in die periode ca. 27.000 motorfietsen verkocht, ondanks het feit dat
BMW's duurder waren dan andere motorfietsen. Vanaf het begin waren de BMW
motorfietsen door hun sterke frame geschikt voor zijspangebruik. Er waren
contracten met zijspanfabrikanten en zodoende kon men soms ook al het droog
gewicht mét zijspan aangeven. Incidenteel werden kleinere (eencilinder)
modellen uitgebracht. Opvallend is dat geen enkele eencilinder ooit met een
zijklepmotor werd gebouwd, hoewel dit bij de tweecilinders tot aan de Tweede
Wereldoorlog wel gebeurde.
De eerste eencilinder was de 250cc-R 39 uit 1925. De BMW
eencilinders, die volgens hetzelfde principe en dus ook met de (te) zware
frames werden gebouwd, werden juist erg duur in verhouding met de concurrentie.
De R 39 kende dan ook geen lange levensduur.
In 1928 nam BMW de Fahrzeugfabrik Eisenach (FFE) in Eisenach
over. Vanaf dat jaar ging BMW paren van motorfietsmodellen maken: ongeveer
gelijktijdig kwam er een zijklepmotor als toermotorfiets en een kopklepmotor
als sportmotor op de markt. De eerste voorbeelden waren de R 42 en R 47
(1928-1929). Dit kon gemakkelijk en goedkoop door het "Baukastensystem",
een modulair bouwsysteem waarbij op basis van een bestaand frame en motorblok
door min of meer kleine wijzigingen (cilinders, zuigers en cilinderkoppen) een
motorfiets met een heel ander karakter kon worden gebouwd. De boxermotoren
werden in de inhoudsklassen 500 en 750 cc gebouwd.
Vanaf het begin kon elektrische verlichting geleverd worden,
maar vanaf 1928 werd deze standaard gemonteerd. Tot 1929 werden buisframes
gebruikt, maar vanaf dat jaar waren de dubbele wiegframes als plaatframe
uitgevoerd.
De invoering van een nieuwe Duitse wet uit 1928 werd
aangegrepen om de 198cc-R 2 op de markt te brengen. Men mocht vanaf die tijd
een motorfiets tot 200 cc belastingvrij en zonder rijbewijs besturen. De
machine kwam in 1931 op de markt.
In 1932 verscheen ook nog een 400 cc-eencilinder, de R 4.
In 1936 volgde de 300cc-R 3, waarvan echter maar één serie
gemaakt werd. De machine miste de voordelen van de R 2 (belasting- en
rijbewijsvrij) en het vermogen van de R 4.
In 1937 verving de 340cc-R 35 zowel de R 3 als de R 4. De R
2 werd in 1937 opgevolgd door de R 20.
In 1938 verscheen de 250cc-R 23 als opvolger van de R 20,
omdat de belasting- en rijbewijsvoordelen in dat jaar werden opgeheven.
In 1939 kocht het Russische leger via Zweedse tussenpersonen
vijf R 71 zijspancombinaties, waarmee de basis werd gelegd voor de Russische
Ural en de Oekraïense Dnepr-motorfietsen. De productie van motorfietsen viel
vrijwel stil om plaats te maken voor de productie van vliegtuigmotoren. De
ontwikkeling van nieuwe modellen (met uitzondering van militaire toepassingen)
kwam in heel Europa vrijwel stil te liggen. Daarop was BMW geen uitzondering.
Het in 1940 ontwikkelde R 75 Wehrmachtsgespann en de Zündapp
KS 750 werden zowel bij BMW als Zündapp geproduceerd. De Wehrmacht bepaalde wie
wat produceerde en in welke aantallen.
In 1942 verplaatste BMW de productie van motorfietsen deels
naar Eisenach, naar de Eisenacher Motoren Werke, die het al in 1928 had
overgenomen. Hier werden in elk geval R 75 Wehrmachtsgespanne (18.440 stuks) en
R 35s geproduceerd. EMW produceerde ook deels de Zündapp KS 750 militaire
zijspancombinaties. Eisenach kwam na de Tweede Wereldoorlog in de
Sovjet-bezettingszone te liggen, waardoor de BMW auto- en motorfietsenproductie
voortaan deels in de DDR plaats vond, maar nu onder de vlag van EMW. De BMW R
35 bleef in productie, en pas in 1950 werd het BMW logo vervangen door dat van
EMW. Door de ervaringen opgedaan met de militaire zijspancombinaties kon EMW
enkele prototypen ontwikkelen, waarvan tien productiemodellen werden gebouwd
door AWO in Suhl. Na de oorlog kreeg West-Duitsland opnieuw beperkingen
opgelegd. Waarschijnlijk was dat de oorzaak van de pogingen om zeer lichte
motorfietsjes en scooters te gaan maken.
In 1948 werden proeven genomen met een 100cc-tweecilinder tweetakt
boxermotor, de R
In 1950 werden er weer tweecilinders geproduceerd. Het
systeem met de gekoppelde toer- en sportmodellen werd losgelaten, want er
werden geen zijklepmotoren meer gebruikt. Incidenteel zouden nog wel sportieve
modellen worden gemaakt, zoals de R 68 (1952) en de R 69 (1955). Toch moest het
sportieve element van BMWs met een korreltje zout genomen worden. Ze konden
qua prestaties en uitstraling niet in de schaduw staan van de Britse één- en
tweecilinders. Daar moest BMW het ook niet van hebben. BMW kreeg vanaf de jaren
vijftig het imago van degelijk, betrouwbaar en waardevast. Voor liefhebbers
van vlottere motorfietsen gold het merk echter als oubollig. Met de
introductie van de 35 pk sterke R
Twee in 1953/1954 ontwikkelde scooters kregen ook de naam R
10, net als de lichte motorfiets uit 1948. Beide haalden echter het
productiestadium niet.
In 1955 besloot men bij BMW zowel de voor- als de achterkant
van de motorfietsen te verbeteren. De telescoopvork werd vervangen door een Earles schommelvoorvork en de plunjervering door een gewone achtervork met twee
veer/dempereenheden. Dat zorgde voor een beter weggedrag, maar had ook nadelen:
de schommelvork was eigenlijk ouderwets en stuurde bovendien zwaar, omdat er
een flink gewicht heen en weer gezwaaid moest worden.
De R 69 en R 69 S (1960) waren motorisch sterk genoeg, met
een goed werkend rijwielgedeelte, maar hun uiterlijk was nog dat van rond de
oorlog. Gedurende de hele jaren vijftig en -zestig had elke BMW motorfiets
kogelkoppelingen voor de montage van een zijspan. Dat was niet alleen handig
voor kopers die inderdaad een zijspan wilden monteren, het was ook een
geruststelling voor de solo-rijders: Dit frame is sterk genoeg om een zijspan
te trekken. "Nieuwe" modellen volgden elkaar weliswaar in een hoog
tempo op, maar de wijzigingen ten opzichte van de voorgaande modellen waren slechts
minimaal. Dat betekende ook dat onderdelen van BMW's moeiteloos op tien jaar
jongere machines gemonteerd konden worden.
In de jaren zestig vond er heel weinig ontwikkeling plaats. Er werden
vier modellen geïntroduceerd (de R 50/2, de R 50 S, de R 60/2 en de R 69 S),
die het hele decennium in productie bleven. BMW concentreerde zich in de jaren
zestig op de productie van auto's en twijfelde zelfs aan het verdere nut van de
productie van motorfietsen. De motorfietsproductie verhuisde in november 1966
naar een fabriek in Berlin-Spandau. In 1967 werd de productie zelfs stilgelegd
en alle sportactiviteiten werden gestaakt. Pas met de geheel vernieuwde
/5-serie uit 1969 kwam er een kentering, ook in de verkoopcijfers. Dit waren in
elk geval veel vlotter gelijnde modellen.
Alle modellen die in 1969 op de markt kwamen droegen de
typeaanduiding /5. Bovendien zou vanaf dit moment de cilinderinhoud af te
leiden zijn van de typenaam. Zo kwam er de 500 cc-R 50/5, de 600cc-R 60/5 en de
750cc-R 75/5. Ontwerptechnisch was de serie een sprong vooruit. De motorfietsen
waren dan ook helemaal nieuw ontwikkeld. Er was volop gebruikgemaakt van chroom
en kleur, de frames hadden duidelijke kenmerken van het Norton Featherbed
frame, met een aangebout achterframe, maar voortaan zonder de kogels voor de
zijspanbevestiging. De uitlaten waren licht omhoog gebogen en droegen zo bij
aan het moderne uiterlijk. De zweefzadels waren voorgoed afgezworen. De krukas
draaide voortaan in glijlagers, evenals de drijfstangen. Een heel belangrijke
wijziging was de verplaatsing van de nokkenas. Doordat die nu onder de krukas
lag, konden de stoterstangen naar de onderkant van de cilinders verhuizen. Die
cilinders kwamen daardoor hoger te zitten, waardoor er meer grondspeling
ontstond en de hellingshoek in bochten groter werd. Bovendien kwam het
zwaartepunt van de motor lager te liggen. De 6 Volt elektrische installatie was
vervangen door 12 V. Alle modellen hadden een startmotor, hoewel ook nog een
kickstarter was gemonteerd. Dankzij de verbeterde stuureigenschappen kon met
name het topmodel R 75/5 meekomen met sterkere concurrenten zoals bijvoorbeeld
de Honda CB 750 Four. Die leverde weliswaar 67 pk (de R 75/5 slechts 50),
maar was ook
Heel modern waren de H-4 halogeenlampen. De brandstoftank
was in drie versies leverbaar:
Hans A. Muth ontwierp de R 90 S. Dat model sloeg goed aan,
vooral vanwege de kleurcombinaties die waren gebruikt. De R 90 S is inmiddels
een duur verzamelobject geworden. In deze serie werden ook voor het eerst
schijfremmen toegepast.
De /7-serie sloeg in
In 1977 werd de serie uitgebreid met 800cc-modellen en in
1978 werden voor jongere rijders ook twee "lichte" fietsjes
toegevoegd: de R 45 en R 65. Wanneer de /7-serie eindigde is moeilijk aan te
geven. Van lieverlee verdween de aanduiding /7, en na de komst van de K
100-serie eind 1983 werd de productie snel afgebouwd.
Vanaf 1980 kwamen de allroads op de markt. De R 80 G/S zou aan de basis
staan van een lange lijn GS modellen, die uiteindelijk door zou groeien tot de
zeer populaire R 1200 GS, die in de jaren nul tot de meest verkochte
motorfietsen in Nederland zou horen. De GS serie vloeide voort uit de successen
van Duitse rijders in de zware Enduro klassen eind jaren zeventig. Toen de R 80
G/S eenmaal op de wielen stond, sloeg het model direct aan. Bovendien droegen
successen in de Dakar-rally ook bij aan de populariteit. De GS-en bleken echter
ook zeer goede reismachines te zijn. Ze konden zwaar beladen worden en
stuurden, ondanks de semi-terreinbanden, uitstekend. Door de hoge zit waren ze
zeer controleerbaar en bovendien waren ze relatief licht geconstrueerd. Ze
waren aanvankelijk voorzien van het nieuwe monolever veersysteem, een
enkelzijdige achterwielophanging die niet alleen modern oogde, maar ook licht
en sterk was en waardoor het achterwiel binnen enkele minuten in- en uitgebouwd
kon worden. BMW bedacht er de naam "Reiseenduro" voor en zo worden
deze motorfietsen ook gebruikt. Weinig mensen zullen een BMW GS daadwerkelijk
als terreinmotor hebben ingezet. Intussen worden alle BMW tweecilinders in een
GS versie geleverd. Latere versies werden uitgerust met het Sekundär Luft
System om tot schonere uitlaatgassen te komen. De GS-serie plukte uiteraard de
vruchten van alle ontwikkelingen, zoals de invoering van paralever,
brandstofinjectie en katalysatoren. Dankzij de uitvinding van de kruisspaken
konden ze, ondanks de spaakwielen, toch met tubelessbanden rijden.
Hans Muth had in 1979 samen met Jan Fellstrom en Hans-Georg
Kasten zijn eigen ontwerpstudio "Target Design" opgericht. Target
Design tekende de R 65 LS, die veel leek op de Suzuki Katana modellen. Pas in
1983 week men af van de tweecilinderboxermotor, toen de drie- en viercilinder
K-modellen werden geïntroduceerd met de BMW K 100-serie en de K 75-serie. Bij
deze modellen lag de krukas net als bij de boxermotoren in de lengterichting.
Dankzij dubbele bovenliggende nokkenassen, brandstofinjectie en geheel nieuwe
frames konden deze modellen veel beter concurreren met andere merken en
bovendien aan de strenger wordende milieu eisen voldoen. BMW was voornemens
boxermotoren uitsluitend nog in de GS modellen te leveren. De K 100- en K
75-serie konden immers zowel sportief als toeristisch ingestelde klanten
bedienen, zowel in de middenklasse als in de zware klasse. Maar vrijwel meteen
na de introductie van de K modellen kwamen er klachten van klanten, en later
dus ook van dealers en zelfs importeurs. Men wilde de zware boxermodellen
terug. Nadat de /7-serie uit productie was gegaan, werden zelfs de nog
leverbare R 80 modellen van grotere zuigers en cilinders voorzien, zodat met toch
nog 1000cc-BMW's kon kopen.
Intussen zat BMW met een dilemma: de klanten vroegen om
boxermotoren, maar BMW kon ze binnen de geldende milieunormen niet leveren,
zeker niet als ze vermogens moesten leveren die de concurrentie uit Japan het
hoofd konden bieden. Daarom deed BMW eigenlijk hetzelfde als zijn klanten: de R
80 blokken en frames, intussen voorzien van monolever achtervering, kregen
grotere cilinders en daarmee kon men 1000cc-modellen leveren die iets minder vermogen
leverden dan voorheen, maar bijvoorbeeld wel geschikt waren voor het gebruik
van loodvrije benzine. Zodoende werden vanaf 1986 de 800- en 1000cc-boxers,
gemoderniseerd en met heel nieuwe motorblokken, weer in productie genomen. Ze
waren inmiddels voorzien van het monolever veersysteem en kregen later zelfs
paralever. Toen eind 1992 de R 1100's met het nieuwe, lucht/oliegekoelde blok
verschenen, viel het doek voorgoed. De K-motoren bleven echter.
Begin jaren negentig ontwikkelde men het Sekundär Luft
System, waarmee de uitlaatgassen schoner werden. De verjongde R 100
Classic-serie bood de fabriek voldoende tijd om nieuwe boxermotoren met
brandstofinjectie en katalysator te ontwikkelen.
In 1991 werd de 1.000.000e BMW motorfiets geproduceerd.
In 1992 verscheen een
geheel nieuwe boxergeneratie met achtklepsblokken. Ze kregen oliegekoelde
cilinderkoppen, waardoor de bijnaam "Oilhead" ontstond. De
"oude" boxers heetten vanaf dat moment "Airhead". De nieuwe
modellen werden niet ineens uitgebracht, maar één voor één, te beginnen met de
R 1100 RS. Had men bij de K-serie al wat vingeroefeningen met modern design
gedaan, bij de R 1100-serie leek de de nieuwe ontwerper David Robb de vrije
hand te hebben gekregen. Dat gold met name voor de R 1100 GS, met zijn
"snavel"spatbord en knalgele zadel. Met deze serie verscheen ook de
nieuwe voorwielophanging (telelever) ten tonele, maar de hele frameconstructie,
of liever het feitelijk ontbreken van een frame, was mogelijk nog
sensationeler. Motorblok en versnellingsbak vormden samen het dragende deel,
aangevuld met enkele subframes omdat er toch nog wat zaken (telelever, zadel en
tank, achterschokdemper) bevestigd moesten worden. Ook motorisch had men het -
zij het nog steeds met boxermotoren - over een heel andere boeg gegooid. De
onder de krukas geplaatste nokkenas was vervangen door een hulpas, die via
kettingen de echte nokkenassen aandreef. Deze zaten in de cilinderkoppen, maar
niet boven de kleppen, zodat toch nog kleine stoterstanggetjes en tuimelaars
nodig waren. Zeer functioneel waren de toepassing van ABS, katalysatoren,
handvatverwarming en verstelbare zadels, waarmee BMW uitermate innovatief bezig
was. Mocht de K 100-serie nog geen einde hebben gemaakt aan het behoudende
imago van BMW, dan deed de R 1100-serie dat zeker.
Al aan het einde van de jaren tachtig besloot BMW om goedkopere motorfietsen te gaan produceren om een jeugdiger publiek te bereiken. In die tijd waren de K 75 modellen de lichtste motorfietsen die het merk te bieden had, en zij waren tamelijk duur. Om de prijs te drukken werd samenwerking gezocht met Aprilia en inbouwmotorfabrikant Rotax. Een bestaande Rotax-eencilindermotor werd door BMW ingenieurs gemodificeerd, maar wel door Rotax geproduceerd. De eerste series (F 650 en F
Van een aantal R 1100-modellen werden ook 850cc-versies uitgebracht, die uiterlijk gelijk waren aan de zwaardere modellen, maar de nog leverbare R 80 modellen moesten vervangen. Vooral de viercilinder-, 1000- en 1100cc-modellen met brandstofinjectie zouden moeiteloos meer dan 100 pk kunnen leveren, maar BMW beperkte aanvankelijk het motorvermogen om Europese wetgeving voor te blijven. In 1997 doorbrak men met het "Max 100 pk"-principe met de 130 pk sterke K 1200 RS. De K serie vormde ook een eerste aanzet tot een veel moderner ontwerp van BMW motorfietsen, hoewel daar eigenlijk al met de R 65 LS een voorzichtig stapje in was gemaakt. De Form Follows Function ontwerpfilosofie werd nog lang niet losgelaten, maar bij de K 100 modellen was de functionaliteit al niet meer bepalend voor het uiterlijk van de motorfietsen. Dit bleek bijvoorbeeld uit de "BMW nieren", die in elke BMW-autogrill herkenbaar waren, maar die nu ook de radiateurbekleding van de motorfietsen sierden. Ook de vierkant gevormde uitlaatdempers en de driehoekige dempers van de K 75-serie waren hier voorbeelden van.
In 1997 werd de R 1200 C-serie
geïntroduceerd. Met deze cruiser betrad BMW een pad dat men tot dan toe gemeden
had. Cruisers en customs van de Japanse concurrentie hadden intussen allemaal
een V-twin motorblok gekregen, om de gelijkenis met het "origineel"
van Harley-Davidson zo dicht mogelijk te benaderen. BMW gebruikte een grotere
versie van de oilhead-boxermotor en bracht de R
De naam "Urban Mobility Vehicle" dekte de lading
van de overdekte scooter BMW C1 volledig. Het voertuig mocht in vrijwel heel
Europa zonder helm bestuurd worden en was bedoeld voor automobilisten die de
dagelijkse files en het drukke stadsverkeer wilden omzeilen. Er kwamen twee
types: de 125 cc en de 200 cc, waarvan ook nog verschillende uitvoeringen
bestonden. Wie zijn BMW C1 helemaal wilde aankleden had zelfs een Discman en
een GSMhouder aan boord. Desondanks werd het geen succes en de serie verdween
in 2003.
Rond 2001 werd de boxermotoren opgewaardeerd tot de R
1150-serie, waarbij de uiterlijke verschillen minimaal waren. In die periode
verschenen ook de eerste 1200cc-modellen, maar dat waren de zeer afwijkende
cruisers van de R 1200 C-serie, die niet erg succesvol werden. De
"echte" R 1200-serie, met opvolgers voor de R 1150-serie, verscheen
vanaf 2004 met de R 1200 GS. In de jaren 00 zette BMW de drang naar meer
motorvermogen door, ook bij de boxermotoren, die bijvoorbeeld de 122 pk sterke
R 1200 S en later de "High Performance" HP2-serie kregen. Maar het
summum van vermogen kwam met de nieuwe K-serie met dwarsgeplaatste motor.
Het eerste model, de K 1200 S uit 2004, perste er al 167 pk
uit en vestigde een werelduurrecord. De zeer sterk hellende cilinders zorgden
dat het zwaartepunt laag kon blijven, maar er waren ook veel technieken uit de
BMW Formule 1 motor overgenomen, waaronder de holle nokkenassen en het speciale
smeersysteem. Er kwam een GT versie, maar ook een meer
"streetfighter" achtig model, de K 1200 R, die zonder meer
"ruig" te noemen was. Met deze nieuwe serie betrad BMW een strijdperk
dat het in de jaren dertig verlaten had: de pk-race. In deze periode waren
rembekrachtiging, Integral ABS, elektrisch instelbare veersystemen en
tractiecontrole deels standaard, deels als optie leverbaar. Het BMW duolever
verving op deze serie het telelever systeem.
Het eerste model, de K 1200 S uit 2004, perste er al 167 pk uit en vestigde een werelduurrecord. De zeer sterk hellende cilinders zorgden dat het zwaartepunt laag kon blijven, maar er waren ook veel technieken uit de BMW Formule 1 motor overgenomen, waaronder de holle nokkenassen en het speciale smeersysteem. Er kwam een GT versie, maar ook een meer "streetfighter" achtig model, de K 1200 R, die zonder meer "ruig" te noemen was. Met deze nieuwe serie betrad BMW een strijdperk dat het in de jaren dertig verlaten had: de pk-race. In deze periode waren rembekrachtiging, Integral ABS, elektrisch instelbare veersystemen en tractiecontrole deels standaard, deels als optie leverbaar. Het BMW duolever verving op deze serie het telelever systeem.
De H(igh) P(erformance) 2 (cilinder) serie kwam in 2005 op
de markt met als eerste model de HP2, die ook wel HP2 Enduro wordt genoemd
nadat er nog twee modellen op de markt kwamen. Met deze serie motorfietsen liet
BMW voor het eerst de Form follows function filosofie helemaal los. In feite
waren het drie (een enduromotor, een supermotard en een extreme sportmotor)
modellen die behalve "plezier" geen enkele functie hadden. Ze vonden
feitelijk in alle drie de categorieën concurrenten die meer geschikt waren. De
Enduro paste in geen enkele enduroklasse, de supermotard kon niet in
supermotardwedstrijden worden ingezet en de sportmotor was minder sterk en
zwaarder dan een aantal andere sportieve twins. De HP2-serie bestond uit
peperdure, maar wel exclusieve motorfietsen, die bestemd waren voor
liefhebbers. De HP2 Sport was de eerste BMW productie-boxermotor met dubbele
bovenliggende nokkenassen en de eerste productiemotor met een quickshift
schakelsysteem.
In 2006 produceerde BMW voor het eerst meer dan 100.000
motorfietsen in één jaar. de 100.000e was een R 1200 R.
De G 650-serie uit 2007 was na de HP2-serie de tweede keer
dat BMW motorfietsen maakte die puur als pleziervoertuig bedoeld waren. De
serie bestond uit een supermotard (de Xmoto), een enduro (de Xchallenge) en een
allroad (de Xcountry). Uiteraard waren deze veel lichtere modellen meer dan de
HP2-serie gericht op jonge, beginnende motorrijders.
In 2010 werd de serie
aangevuld met de G 650 GS, die in Nederland niet werd geïmporteerd. Intussen
bracht BMW zelf een eigen model uit voor het 450cc-endurosegment. Deze motor,
met type-aanduiding G 450 X, werd voorgesteld op de EICMA 2007 beurs van Milaan
en werd gecommercialiseerd vanaf het voorjaar 2008. Het is niet bekend of
Husqvarna enige inbreng heeft gehad bij de ontwikkeling van dit model. Vanaf
2008 werd de K-serie opgewaardeerd met 1300cc-motoren (de K 1300-serie). Vreemd
genoeg kwam BMW in 2008, vlak vóór de overname van Husqvarna, met een eigen
enduromotor. Het was de eerste stap van BMW in de richting van meer algemene
takken van motorsport, na de deelnames in het wereldkampioenschap zijspanraces en
de Dakar-rally. De G 450 X was in elke geval géén Husqvarna-kloon, want de
machine zat vol vernieuwende ontwikkelingen. Het blok werd later zelfs in de
Husqvarna machines gebouwd.
In 2009 werd de
eerste supersport motor door BMW gelanceerd, de S 1000 RR met meer dan 200 pk
en een gewicht van
Toen de straatversie van de S 1000 RR in 2010 op de markt
kwam gaf de fabriek een vermogen van 193 pk op, waarmee de machine meteen de
sterkste in zijn klasse zou zijn. De Kawasaki ZX-10R leverde
"slechts" 188 pk. Maar de BMW gooide er op de vermogensbank liefst
208 pk uit. Ook bij vergelijkende testen door motorbladen gooide de machine
hoge ogen, door zijn bruikbaarheid op de openbare weg. De circuittesten waren
minder overtuigend. De superbike racer debuteerde verdienstelijk met de coureurs
Troy Corser en Ruben Xaus in 2009, maar in de eerste jaren moest men het hoofd
buigen voor de meer ervaren concurrenten van Ducati, Yamaha en Suzuki en de
eveneens debuterende Aprilia RSV
In 2012 verschenen twee scootermodellen, de sportieve C 600 Sport en de meer toeristische C 650 GT. Ondanks de verschillende aanduidingen hadden ze allebei een 650cc-tweecilindermotor. In 2012 trok men Marco Melandri en Leon Haslam als coureurs aan. Met name Melandri begon vanaf mei van dat jaar wedstrijden te winnen.
BMW Motorrad presenteert op het Concorso dEleganza Villa
dEste (24 t/m 26 mei) in Italië een zeer bijzonder model: de BMW Concept
Ninety. Twee jubilea vormden de aanleiding voor de ontwikkeling van deze
motorfiets: 90 jaar BMW Motorrad en de 40ste verjaardag van de BMW R 90 S, het
sportieve icoon van BMW Motorrad uit de jaren 70. De BMW Concept Ninety is
door BMW Motorrad Design ontworpen in samenwerking met Roland Sands Design uit
Californië. Voormalig motorcoureur Roland Sands en zijn team zijn een begrip in
de wereld van custom bikes.
De BMW R 90 S werd in 1973 geïntroduceerd als het
vlaggenschip van de Stroke Six range. Met een topsnelheid van net boven de
200 km/u was hij een van de snelste motorfietsen van zijn tijd. Dit resulteerde
in een groot aantal prijzen in verschillende raceseries. Met zijn
aerodynamische ontwerp was de BMW R 90 S zijn tijd vooruit. Zo was het de
eerste motorfiets met een standaard stroomlijnkap aan de voorzijde. Verder viel
de BMW R 90 S op door zijn sportief vormgegeven achterzijde en Daytona Orange
lakkleur.De BMW Concept Ninety is een eerbetoon aan deze trendsetter
van toen, die uitgegroeid is tot een van de design-iconen van BMW Motorrad. Het
model waarop deze sportieve motorfiets -met een luchtgekoelde tweecilinder
boxermotor- is gebaseerd, is duidelijk te herkennen. Dat geldt onder meer voor
de kappen, de tank, de zitting, de achterzijde, de ronde koplamp en de klassiek
vormgegeven velgen. Doordat het motorblok en het chassis zwart zijn, lijken ze
los te staan van de aerodynamische body. Het met de hand gebouwde bodywork is
van aluminium en geheel met de hand gemaakt. De oranje lakkleur is een
duidelijke verwijzing naar het Daytona Orange van de BMW R 90 S.
Bij het ontwerpen en bouwen van de BMW Concept Ninety werkte
BMW Motorrad Design nauw samen met de custom bike-specialisten van Roland Sands
Design. Dit bedrijf liet zijn handtekening vooral achter op de mechanische
gedeelten en het motorblok. De custom bike-specialisten richtten zich
hoofdzakelijk op de typische boxerelementen van de motor. Hoogtepunten van het
werk van Roland Sands Design zijn de motorbeschermplaat, het kleppendeksel en
het uitlaatsysteem. Die onderdelen werden op een bijzondere manier gepolijst,
waardoor ze een prachtig contrast vormen met het zwart van de andere
motoronderdelen.
Overigens is de BMW Concept Ninety niet alleen een sieraad
voor het oog, er kan ook gewoon mee gereden worden. De motorfiets en alle
onderdelen zijn ontworpen om topprestaties te leveren. Net als destijds bij de
BMW R 90 S.